Nijmegen: Geschiedenis
=== Oudheid ===
In het gebied dat nu overeenkomt met Nijmegen-Oost zijn sporen van bewoning teruggevonden uit het neolithicum, de midden en late bronstijd en (ten noorden van de Waal) de midden en late ijzertijd. Het gaat dan vooral om teruggevonden grafheuvels en urnenvelden.
In de Romeinse tijd hoorde het gebied van het huidige Nijmegen bij de Limes, de grens tussen het Romeinse Rijk en de aangrenzende gebieden in het noorden en oosten waar Germaanse stammen woonden. Ze maakten deel uit van Germania Inferior. Naar algemeen wordt aangenomen zouden de Romeinen omstreeks 10 v.Chr. Oppidum Batavorum hebben gesticht. Dit was een nederzetting waar vooral rijkere handelaren en ambachtslieden zich vestigden. De plaats lag vlak naast het Romeinse castrum. Dit bood een voordeel, omdat aldus de markt door de legionairs beschermd kon worden. Bovendien hadden de legionairs ook vele goederen nodig, waar ze bovendien een goede prijs voor konden betalen, omdat ze een redelijk salaris ontvingen. Van 71 tot 104 was het 10e legioen van de Romeinen (Legio X Gemina) hier gelegerd. Er werd ook een groot fort (castrum) gebouwd op een heuvel aan de Waal, waar nog altijd iets van over is.
Ulpia Noviomagus Batavorum moet tussen 98 n.Chr. (het jaar dat Trajanus aantrad als keizer) en 104 n.Chr. (het jaar dat het hiervoor genoemde legioen uit het gebied wegtrok) de Romeinse stadsrechten hebben gekregen.
Romeins Noviomagus bloeide gedurende het grootste deel van de 1e eeuw, daarna ging het bergafwaarts. De stad werd omstreeks 270 geheel verlaten. De Romeinen en overige bewoners vestigden zich hierna vermoedelijk opnieuw op of nabij het Valkhof. Aan het begin van de 5e eeuw waren de Romeinen ten slotte definitief uit het gebied aan en rond de Waal weggetrokken.
Tot op heden herinneren allerlei namen binnen Nijmegen aan de Romeinse tijd. Zo heet het grote verkeersplein ten zuiden van de Waalbrug sinds 1956 het Keizer Traianusplein. Tussen dat plein en de Waal staan nog steeds enkele ruïnes. Op de heuvel bij de Waal staat ook nog steeds een verdedigingstoren Belvedère, maar deze dateert van veel later dan het Romeinse castrum.
Algemeen wordt aangenomen dat het fort, de nederzetting en de omgeving na het definitieve vertrek van de Romeinen in Frankische handen zijn gekomen. Aan het Valkhof zijn enkele muntstukken teruggevonden die worden gedateerd van rond het jaar 600 of iets later; het wordt als een mogelijkheid gezien dat Merovingische vorsten deze munten lieten maken.
Karel de Grote liet, volgens de overlevering, omstreeks 770 op het Valkhof een van zijn paltsen bouwen. Dergelijke verblijven lagen verspreid over zijn hele rijk. Het waren belangrijke adellijke residenties die tevens gebruikt werden als bestuurscentra. Hier zou hij zelf meerdere malen zijn geweest. Ook zijn zoon, Lodewijk de Vrome, zou geregeld hier hebben verbleven. De Noormannen namen de palts rond 880 voor het eerst in. De palts werd in 1047 uiteindelijk definitief verwoest, tijdens een opstand tegen keizer Hendrik III onder Godfried II van Opper-Lotharingen. Nijmegen dankt aan dit deel van zijn geschiedenis de bijnaam "Keizerstad", ook zijn hedendaagse vernoemingen als het Keizer Karelplein en de studentenvereniging Carolus Magnus hierop terug te voeren. …