Heerlen: Geschiedenis
=== Tot 1900 ===
Hoewel er sporen zijn van eerdere bewoning, begon de bewoningsgeschiedenis van Heerlen pas met de komst van de Romeinen. Deze stichtten er 2000 jaar geleden een militaire nederzetting, die zij de naam Coriovallum gaven. De Romeinen bouwden onder meer een badhuis en bedreven er pottenbakkerij.
De oudste schriftelijke vermelding van Heerlen of 'Herle' is in een akte van 1065. Heerlen ontwikkelde zich tijdens de middeleeuwen mondjesmaat als landbouwdorp, met molens en boerenhoeven. Centraal stond de 11e-/12e-eeuwse burcht Landsfort, waarbinnen zich ook de kerk bevond. Heerlen kreeg overigens geen stadsrechten en ontwikkelde zich dan ook niet verder tot een stad.
Tot diep in de 19e eeuw was Heerlen een tamelijk geïsoleerd dorp. Hoofdmiddel van bestaan was de landbouw, goede aan- en afvoerwegen ontbraken. Wilde men met de trein reizen, dan moest men eerst te voet naar Simpelveld (aan de spoorlijn Aken - Maastricht) of Sittard (de spoorlijn Maastricht - Venlo) om daar de trein te nemen. Men kon ook met de postwagen gaan naar Valkenburg, Sittard of Aken. Pas in 1896 kwam de spoorlijn Sittard - Herzogenrath tot stand, aangelegd door de spoorwegbouwer Henri Sarolea, die later met de gebroeders Carl en Friedrich Honigmann de directie zou voeren van de Oranje-Nassaumijnen.
Die spoorlijn was dringend gewenst in verband met de exploitatie van steenkool. In 1894 was al begonnen met de aanleg van de Oranje-Nassaumijn I, 1899–1974, die vijf jaar later in productie ging. Op Heerlens grondgebied kwamen nog drie mijnen: de Oranje-Nassau III (1917–1973) te Heerlerheide, Oranje-Nassau IV (1927–1966) te Heksenberg en Staatsmijn Emma (1911–1973) in Treebeek (destijds grondgebied van de gemeente Heerlen).
De bevolking nam in korte tijd explosief toe: van een dorpje met 6646 inwoners in 1900 tot een stad van 32.263 inwoners in 1930. Voor al deze mensen uit binnen- en buitenland moesten huizen, scholen, winkels en een ziekenhuis gebouwd worden, wegen worden aangelegd enzovoorts, en dat alles in zeer korte tijd. Het is daarom niet verwonderlijk dat nog maar weinig historische gebouwen bewaard zijn gebleven. In de grote verandering van dorp tot stad vond men ze niet meer passen in een modern stadsbeeld en dus werden ze gesloopt. Beeldbepalend voor Heerlen in de mijnbouwperiode waren de hoge schoorstenen bij een steenkolenmijn. Deze schoorstenen werden in de volksmond aangeduid als Lange Jan (1938-1976, 138m) en Lange Lies (1953-1976, 155m), en waren van zeer grote afstand al zichtbaar.
Er herinnert nog maar weinig aan dat steenkoolverleden van de stad. De steenbergen zijn afgegraven en veranderd in woonwijken of parken, de koeltorens en grote schoorstenen zijn verdwenen. Het schachtgebouw van de Oranje-Nassau I is nog het meest in het oog springende en directe overblijfsel. Ook de vele wijken die in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog zijn aangelegd vormen nog steeds sprekende getuigen van die markante periode uit Heerlens geschiedenis. De enige overgebleven steenberg in originele staat (tevens van heel Nederland), van de Oranje-Nassau IV, ligt aan de rand van de Brunssummerheide, maar wordt bedreigd met afgraving, omdat er kostbaar zilverzand onder ligt.
Wel zijn nog hier en daar in Heerlen markante gebouwen bewaard gebleven die herinneren aan de tijd dat Heerlen en de Oostelijke Mijnstreek een groeigebied was. In 1935 kwam een zeer befaamd geworden gebouw gereed, het Glaspaleis van opdrachtgever en lokale winkelier Peter Schunck. …