Heimatgeschichte · Veenendaal ·

Veenendaal: Geschiedenis

Veenendaal: Geschiedenis

=== Vroegste geschiedenis ===
In de Gelderse Vallei ten noorden van Rhenen heeft lange tijd een drassig veengebied gelegen, ook wel de Rhenense of Stichtse venen genoemd. Deze venen zijn ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd als gevolg van de slechte waterafvoer van het gebied.
Aan het einde van de Middeleeuwen kwam turf steeds meer in gebruik als brandstof, in plaats van hout. Net als in veel andere gebieden in Nederland werd het veen ook in dit gebied ontgonnen. Dat gebeurde vanaf circa 1430. Voor een soepele afvoer van de turf werd aan het einde van de 15e eeuw de Bisschop Davidsgrift uitgegraven. De veengebieden lagen zowel in gebieden van het hertogdom Gelre als het sticht Utrecht. Vanwege de oorlogen tussen de twee partijen werd het ontginnen gestaakt en verzandde de Grift. Nadat Karel V in 1543 ook Landsheer werd over het Gelderse Hertogdom, werd het vervenen hervat. Op 12 maart 1546 kregen de eigenaren hiervoor officieel toestemming middels een octrooi.

De eerste bebouwing van de nieuwe veenkolonie ontstond langs de Grift en een aantal zijtakken. Een van die zijtakken liep langs een zandheuvel (ook wel bekend als het Kleine Veenloo, een kleine geïsoleerde stuwwal). Op deze plek werd in 1566 een kerk gebouwd en een markt aangelegd. Er werd immers verwacht dat de veenderij een aanzienlijke tijd zou gaan duren. Zo werd Veenendaal een brinkdorp met lintbebouwing, maar nog verdeeld over twee provincies. Er was sprake van een Utrechts ('Stichts') Veenendaal en een Gelders Veenendaal. Stichts Veenendaal viel net als Renswoude onder de gemeente Rhenen, Gelders Veenendaal onder Ede. In 1637 stierf de hele bevolking van het dorp uit aan een pestepidemie. In 1795 grepen enkele Veense burgers de inval van de Franse legers aan om een eigen gemeente op te richten, los van Rhenen en Ede. Uiteindelijk werd alleen het Stichtse deel zelfstandig, met op dat moment ruim 1900 inwoners.

Toen het veen midden 17e eeuw opraakte brak er een periode van stilstand aan. De huisnijverheid uit die periode werd vanaf het midden van de 19e eeuw gemechaniseerd, de wolindustrie dankt hier zijn oorsprong aan. Samen met de sigarenindustrie was de textielindustrie tot in de eerste helft van de 20e eeuw bepalend voor Veenendaal. Daar is anno 2020 weinig meer van over, omdat de industrieën zijn verdrongen naar lagelonenlanden en vrijwel alle bestaande fabrieken uit die tijd zijn gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Van het waterrijke verleden is weinig terug te vinden in het centrum. De Grift en al haar zijtakken zijn gedempt vanwege vervuiling en wegenbouw. Wat rest zijn opvallend brede straatprofielen, dit is goed te zien bij de Nieuweweg, de Hoogstraat, de Hoofdstraat en de Zandstraat. Het in 1866 gegraven Omleidingskanaal bestaat echter nog wel, dat buiten het centrum weer op de originele loop van de Grift aansluit.
Nadat op 5 maart 1855 de Grebbedijk bij Rhenen doorgebroken was, overstroomde Veenendaal bijna volledig.
De meeste mensen verschuilden zich in de hooggelegen kerk op het marktplein. Omdat Veenendaal een van de laagst gelegen delen van de Gelderse Vallei is stond het water hier erg hoog. De mensen werden na afloop per schuit en per trein naar Utrecht vervoerd. Nadien bezocht koning Willem III het getroffen gebied. Aan de Kerkewijk staat een monument en de ramp wordt herdacht in het historisch museum, Museum Veenendaal. …

von Fremdinhalte · Regionauts

Quelle: Text: Wikipedia – „Veenendaal“, Autorinnen und Autoren (Versionsgeschichte), CC BY-SA 4.0 · Foto: Michielverbeek, CC BY-SA 3.0 – Wikimedia Commons