Noordoostpolder: Geschiedenis
Door het aannemen van de Zuiderzeewet in 1918 werd besloten tot de aanleg en inpoldering van de Zuiderzee- / IJsselmeerpolders, het "plan Lely". Om ervaring op te doen met inpolderen en het in cultuur brengen van gronden met een hoog zoutgehalte, werd eerst de Proefpolder Andijk aangelegd. Met de ervaringen die zijn opgedaan in deze proefpolder is de ontwikkeling van de Wieringermeer versneld. Omdat de Wieringermeer in de Zuiderzee was aangelegd, nog voor de Afsluitdijk werd gesloten, was de Noordoostpolder strikt genomen de eerste IJsselmeerpolder. Aanvankelijk was het de bedoeling om eerst de Markerwaard aan te leggen, maar door de slechte economische omstandigheden van de jaren dertig werd, na aanvankelijk te hebben gesproken over het afbreken van verdere droogmakerij, besloten om naar de andere kant van het IJsselmeer te gaan. Daar zou het waarschijnlijk makkelijker zijn om aspirant-boeren te vinden. Het achterliggende gebied was immers veel groter. Bovendien was de Noordoostelijke Polder, wat toen nog een dossiernaam was, veel kleiner en dus ook goedkoper in aanleg.
Op 2 februari 1936 werd met de voorbereidende werkzaamheden begonnen, en in 1937 werd de aanleg van in totaal 31,5 kilometer dijk aanbesteed. Op 3 oktober 1939 werd de dijk tussen Lemmer en Urk gesloten. Urk was voortaan geen eiland meer. Op 13 december 1940 werd de dijk aan de zuidkant van de polder nabij Schokkerhaven gesloten, de totale dijklengte was nu 54 km. Op 13 januari 1941 kon het droogmalen beginnen toen het gemaal bij Lemmer in gebruik kwam en later zijn er twee bijgekomen. Er zijn drie hoofdgemalen: Buma, Smeenge en Vissering. De polder viel officieel droog op 9 september 1942. Nu was ook Schokland niet langer een eiland, dit lag voortaan midden in de polder. Doordat de zeebodem tegen de Overijsselse kant sterk opliep, kon daar al in 1941 een eerste oogst (rogge) worden binnengehaald. Ook tijdens de bezettingsperiode (1940-1945) ging het werk aan de ontginning gewoon door, aangezien de aanwinst van extra landbouwgrond (met voedselopbrengsen) ook voor de bezetters een belangrijk doel was.
De kersverse polder werd al snel een toevluchtsoord voor onderduikers, omdat de arbeiders waren vrijgesteld van de Arbeitseinsatz. Van de afkorting NOP (voor de Noordoostpolder) werd in die tijd gezegd dat die ook stond voor "Nederlands Onderduikersparadijs". In totaal zouden er circa twintigduizend personen ondergedoken zijn geweest gedurende deze oorlogsjaren. In november 1944 werden bij een grote razzia ongeveer 1.800 pioniers en onderduikers opgepakt en via Vollenhove naar Meppel afgevoerd. De toenmalige landdrost Smeding heeft nog ongeveer de helft daarvan weten terug te halen, om zo de graanoogst nog te kunnen dorsen. Er zijn zeker twee wegen in de polder terug te vinden die aan de onderduikers herinneren: de Onderduikersweg en het Onderduikerspad, in Espel/Creil.
Het verkavelingsplan werd in 1939 vastgesteld, dwars door de polder werden drie stervormige, op Urk, Lemmer en de Voorst gerichte, hoofdkanalen gepland (Urkervaart, Lemstervaart en Zwolse Vaart). Voorts waren er de assen Lemmer - Ramspol en van Urk naar Vollenhove en Blokzijl. Bij het kruispunt van kanalen zou de hoofdplaats Emmeloord verrijzen. Aanvankelijk waren er voorts nog vijf dorpen voorzien, later werden dit er tien.
Reeds in de Tweede Wereldoorlog werd begonnen met de bouw van boerderijen, in eerste instantie dezelfde typen als in de Wieringermeer. …