Soest (Nederland): Geschiedenis van Soest
De oudste sporen van (tijdelijke) bewoning rond Soest zijn teruggevonden in de Soester Duinen. Omstreeks 11.000 voor Christus werd de streek door jagersgroepen bevolkt. De vondsten bestonden uit enkele stenen werktuigjes uit 8000 voor Christus. Begin 2014 werd bekend dat op het oude korfbalveld aan de Staringlaan een bivakplaats met vuursteenresten en haardplaatsen was aangetroffen. Het Centrum voor Archeologie dateerde de vondst op Midden-Steentijd.
Uit de late prehistorie kent Soest een groot aantal grafheuvels, waaronder één op de Engh en een aantal bij De Stompert en De Vlasakkers. Deze grafheuvels dateren uit de periode Laat-Neolithicum tot en met Vroege IJzertijd. Bewoningssporen uit de late prehistorie zijn in Soest tot op heden niet gevonden.
De eerste vermelding van het dorp Soest dateert uit 1028, maar in 2004 vierde het dorp zijn 975-jarig bestaan. Soest ontstond als een kolonie uit het dichtbijgelegen Amersfoort. De eerste boeren vestigden zich op de zuidoosthelling van de Engh, een uitloper van de Utrechtse Heuvelrug. Zo waren ze beschermd tegen de Zuiderzee, die regelmatig de Eempolder overstroomde. De Engh werd ontgonnen en bemest, zodat deze geschikt werd voor akkerbouw. In de polder graasde het vee. De kolonie groeide uit tot een klein boerendorp. Ten westen, achter de Engh, lag de buurtschap Heze, die ouder dan Soest was. Heze verdween echter doordat de zandverstuivingen, waar de tegenwoordige Soester Duinen een restant van zijn, aan de wandel gingen en de buurtschap in de 15e eeuw begroeven. De naam Heze leeft nu nog voort in de wijken Overhees en Hees.
Soest was regelmatig het strijdtoneel van militaire gebeurtenissen. Al in 1278 vond op de Engh een veldslag plaats tussen Holland en Utrecht. Ook in 1356 vond er een kleine veldslag bij Soest plaats, tussen een Hollands en Stichts leger.
Door de stichting van het klooster Mariënburg in 1470 werd Soest belangrijker en op 26 september 1472 verkreeg Soest schepenrecht. Maar al aan het begin van de 16e eeuw werd Soest geplunderd en platgebrand door de troepen van Maarten van Rossum. De nonnen werden verkracht en van het klooster resteerde niets dan puin. In de 17e eeuw ontstonden Zoestdyck en 't Hart. Zoestdyck ontstond aan de weg die langs het Soesterveen gelegen was, deze opgehoogde (dijk) doorgaande weg richting Baarn gaf de buurtschap haar naam. 't Hart was een buurtschap die bestond uit schapenhouders en turfstekers. Turfsteken gebeurde overigens al in de 14e eeuw in het Soesterveen, maar intensiveerde in de loop van de 17e eeuw. De turf werd met boten, de zogenaamde pramen, over de Praamgracht naar de Eem vervoerd.
In 1650 liet Cornelis de Graeff, een toenmalige burgemeester van Amsterdam een buitenverblijf bouwen langs de Zoestdyck, de Hofstede aen Zoestdijck, het huidige Paleis Soestdijk, dat in het Baarnse gedeelte van Soestdijk ligt. In 1674 liet Willem III van Oranje het verbouwen tot jachtslot. Soestdijk werd nu een dorp met een aantal grote buitens, net als Baarn, terwijl Soest zelf een boerendorp bleef. Soestdijk was rond 1890 een dorp waar de elite uit voornamelijk Amsterdam neerstreek. Zo waren er veel privéhuizen, maar ook verschillende hotels. De welgestelden kwamen naar Soestdijk vanwege de schone lucht en de mooie natuur.
In 1895 ging de Soester Paardentram rijden en in 1898 werd Soest met de Stichtse Lijn aangesloten op het spoorwegennet. Rond 1900 had Soest nog maar 4700 inwoners. Pas rond 1920 groeiden Soestdijk en Soest aan elkaar. …