Schouwen-Duiveland: Geschiedenis
De naam verwijst naar de eilanden Schouwen en Duiveland waartussen het water de Gouwe liep. Twee plaatsen op Schouwen-Duiveland, Zierikzee en Brouwershaven, hebben in het verleden stadsrechten verkregen. Brouwershaven werd tussen de 16de en 18de eeuw aangeduid als “smalstad”. Dit is een Zeeuwse benaming voor zeven kleinere steden die wel stadsrechten hadden, maar die geen zitting mochten nemen in de Staten van Zeeland.
Het eiland Schouwen-Duiveland bestond ooit uit vier eilanden: Schouwen, Duiveland, Dreischor en Bommenede. In de loop der eeuwen zijn deze door natuur en mens aan elkaar gegroeid. De dam tussen Schouwen en Duiveland dateert van 1610. Een van de meest ingrijpende episodes in de geschiedenis van Schouwen is het verdwijnen van het Zuidland, een tot vier kilometer brede strook vruchtbaar polderland aan de zuidzijde van het eiland Schouwen, langs de Oosterschelde. Dit gebied, een van de “zesdedelen” van Schouwen, omvatte in de middeleeuwen meerdere kerkdorpen en gehuchten, waaronder Koudekerke, Zuidkerke, Brieskerke, Jackenkerke (of Sint-Jacobskerke), Oudekerke, Rengerskerke en Simonskerke.
De zeedijk lag oorspronkelijk verder zuidelijk (bij de huidige Roggenplaat). Tussen ongeveer 1300 en 1700 schoof de kustlijn door stormvloeden, dijkdoorbraken en erosie geleidelijk noordwaarts op. Schattingen lopen uiteen, maar er verdween circa 3.000–3.500 hectare land. Voor 1400 was al zo’n 875 ha verloren, in de 15e eeuw nog eens 600 ha en in de 16e eeuw ca. 1.600 ha. Tegen 1700 waren vrijwel alle dorpen verdronken of verlaten.
Het enige prominente overblijfsel is de Plompe Toren.
Zierikzee beleefde haar grootste bloei in de late middeleeuwen, vooral in de 14e en 15e eeuw. Na het verkrijgen en uitbreiden van stadsrechten in 1248 (en eerder al tussen 1217-1220) door de graven van Holland, groeide de stad uit tot een belangrijke Hanzestad en een van de welvarendste plaatsen in Zeeland en Holland. Na de overwinning op de Vlamingen in de Slag bij Zierikzee (1304) volgde een periode van sterke groei. De stad breidde uit met havens, muren, poorten en monumentale gebouwen. In de vroege 15e eeuw had Zierikzee een indrukwekkend silhouet met kerken, torens en molens, en telde het een flinke bevolking voor die tijd.
Vanaf het midden van de 15e eeuw zette echter een geleidelijke stagnatie in door verzanding van de vaarwaters (de Gouwe), concurrentie van andere steden, stadsbranden en latere oorlogsperikelen. De Tachtigjarige Oorlog (met name het beleg van Zierikzee in 1575-1576) bracht inundaties en plunderingen, waardoor meerdere dorpen (zoals Ellemeet, Brijdorpe, Duivendijke en Capelle) sterk inkrompen: kerken werden afgebroken en bewoners trokken weg.
De 18e en 19e eeuw brachten stagnatie. De economie draaide steeds meer op de landbouw. Een belangrijk gewas was meekrap (Rubia tinctorum), waarvan de wortels een rode kleurstof leverden. Schouwen-Duiveland (samen met Tholen) was het centrum van de Nederlandse meekrapteelt. In 1870 stonden er op het eiland nog 31 meestooven. De teelt was arbeidsintensief en winstgevend, maar kwam rond 1870-1890 in een diepe crisis door de opkomst van synthetische kleurstoffen (aniline). Daarmee verdween een eeuwenoude economische pijler. Bestuurlijk bestond het eiland uit vele kleine gemeenten (in 1811 nog 26, rond 1900 nog 18).
Zierikzee behield weliswaar haar status als tweede stad van Zeeland, maar verloor veel van haar glans. …