Gilze en Rijen: Prehistorie en geschiedenis
Bij Molenschot zijn 10.000 jaar oude bewoningsresten van de Tjongercultuur gevonden, maar van de andere kernen is uit prehistorische tijden weinig bekend.
De naam Gilze duikt voor het eerst op in een schenkingsakte van Hilsondis, gravin van Strijen aan de Abdis van Thorn. Hoewel de echtheid van de akte wordt betwist, moet de schenking voor het begin van de 12e eeuw hebben plaatsgehad. Hierdoor is Gilze een van de oudste plaatsen in de Baronie van Breda. De Abdis hield tot aan de Franse Revolutie belangrijke rechten en bezittingen op Gilze, ondanks het feit dat het gebied inmiddels in bezit was van de Heer van Breda.
De Heer van Breda stelde in de 14e eeuw de Schepenbank van Gilze in. Deze was samengesteld uit een door die Heer benoemde schout en zeven schepenen. Zij waren zowel bestuurders als rechters in civiele zaken. De boet- en lijfstraffelijke rechtspraak was voorbehouden aan de schepenbank van de stad Breda. Naast de schepenbank bestond er nog een college van negen gezworenen. Zij mochten hun stem uitbrengen en gehoord worden over financiële zaken. De schepenbank van de Abdis van Thorn (samengesteld uit een meier en zeven schepenen) was een cijns- of laatgerecht. Tot hun bevoegdheid behoorde de certificatie van eigendomsovergang en eigendomsbezwaringen onder het rechtsgebied van de abdis. Van de schepenen waren er steeds drie afkomstig uit Gilze, twee uit Oosterhout, één uit Ginneken en één uit Princenhage of Rijsbergen.
Rijen was een buurtschap van Gilze. Hierin kwam verandering toen dit dorp in 1464 een kapel kreeg en in 1524 verheven werd tot zelfstandige parochie. Het is ook vanaf dit moment dat de dubbele naam Gilze en Rijen voor de huidige gemeente in gebruik is.
Hulten was aanvankelijk een van Gilze onafhankelijk gebied dat door de Abdis van Thorn in leen was uitgegeven. Aan het eind van de 14e eeuw werd Hulten bij Gilze gevoegd en het eigen gerecht opgeheven. De inwoners van Hulten vielen voortaan onder de rechtspraak van de schepenen van Gilze.
In de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) had Gilze zwaar te lijden van soldatenbendes. Op 23 mei 1584 vielen soldaten uit Herentals, Vilvoorde en Wouw midden in de nacht het dorp Gilze binnen. Zij roofden het vee en andere goederen en staken de kerk, de hoeven en huizen in brand. Wat nog gered kon worden werd kort daarna geroofd door ruiters uit Antwerpen en Bergen op Zoom, die toen bovendien verschillende inwoners vermoordden. Het dorp verkeerde in een rampzalige toestand. De zware oorlogslasten maakten de situatie nog erger. Zo waren er verplichte leveranties van hooi en haver aan de troepen en wagendiensten voor het vervoer van levensmiddelen en munitie naar het Spaanse legerkamp bij Antwerpen. Veel inwoners verlieten toen hun dorp. Zo is bekend dat in 1585 verschillende kinderen uit Gilze in Breda werden gedoopt. De beëindiging van de Tachtigjarige Oorlog betekende nog geen verbetering voor Gilze en Rijen. Omdat Gilze door de Abdis was uitgeleend kregen de inwoners te maken met zware belastingen en de oude gehandhaafde stedelijke voorrechten. Twee eeuwen later werd weer vuur aangestoken: in 1762 werd de nieuw gebouwde schuurkerk met een groot aantal huizen in de as gelegd na brandstichting in de schuurkerk.
Ook de herhaalde inkwartiering van troepen in het dorp bracht zware lasten voor de bevolking mee. Bij de belegering van Breda door Spinola in 1624 hadden soldaten een kamp in Gilze. In 1732 vond hier een grote militaire oefening plaats. …