Weststellingwerf: Geschiedenis
De oudste dorpen in Weststellingwerf ontstonden in de 8ste-14de eeuw, gebouwd op flauw hellende, lange zandruggen, die oorspronkelijk werden begrensd door hoogveen.
In 1204 kregen de inwoners van Oldeholtpade toestemming van de Bisschop van Utrecht, waar ze destijds onder stonden, om een eigen kapel te hebben. Deze verwijzing bewijst dat men al in die tijd tussen de rivieren Linde en Kuinder woonde. In deze jaren behoorden West- en Ooststellingwerf tot Drenthe. Het bestuur en de rechtspraak waren in handen van stellingen (dorpsrechters), die elk jaar wisselden. In 1504 werd het gebied de tiende grietenij van de Zevenwouden, dat voor die tijd uitzonderlijk democratisch was. Later worden er meerdere dorpen genoemd, en zo ontstaat langzaam een vrije natie van de Stellingwerven.
De eigenlijke naam Stellingwerf komt voor zover bekend als eerst voor in een document uit 1309. In 1517 worden de Stellingwerven gescheiden in het Westeinde (nu Weststellingwerf) en het Oosteinde (nu Ooststellingwerf). De Stellingwerven maken met uitzondering van het deel ten noorden van de Kuinder vanouds deel van het Saksisch taalgebied.
Doordat het veen opraakte, vervielen veel mensen tot armoede en werden werkloos. Rond deze tijd ontstond de rietvlechtindustrie in Noordwolde. De sociale en culturele geschiedenis is nu terug te vinden in het Nationaal Vlechtmuseum te Noordwolde. Het socialisme kwam op, wat onder meer leidde tot beter onderwijs. Ook ontstonden grote ondernemingen, met name in de zuivelindustrie.