Heimatgeschichte · Bunschoten ·

Bunschoten: Geschiedenis

Bunschoten: Geschiedenis

Door het natte landschap was er voor 1200 nauwelijks sprake van bewoning in het gebied bij de monding van de Eem. Wel zijn op de dekzandkoppen en –ruggen enkele stenen voorwerpen en een grafheuvel uit de Steentijd aangetroffen. Aan het eind van de 12e eeuw vestigden zich de eerste bewoners op een zandrug te midden van de moerassige gebieden. Zij bouwden hun woningen aan weerszijden van een uitloper van een zandrug en ontgonnen van daaruit het omliggende moerasveen door het maken van ontwateringsslootjes en weteringen, zodat lange smalle stroken land ontstonden. De hoger gelegen boerenhoeven waren verbonden met deze laaggelegen stroken grasland die bij storm en hoge waterstanden regelmatig onder water stonden. Een eeuw na de eerste bewoning was de nederzetting groot genoeg voor een eigen kerkje met pastoor. De 400-500 Bunschoters leefden naast enige landbouw en visserij vooral van de veeteelt. In een stadsbrief van 1355 handhaafde de Utrechtse bisschop Floris van Wevelinckhoven als landheer de reeds verleende stadsrechten. De stadsrechten regelden het zelfbestuur, eigen rechtspraak, het dijkbeheer, de haven en de brug. In de brief werd geen ommuring met een gracht vermeld. Toch kreeg Bunschoten op een gegeven moment een ‘borchwalle’, een lage aarden wal met mogelijk daarop een aantal palissades langs een brede singel, de ‘stat grafte’. Deze wallen sloten op zeven plaatsen aan op de Dorpsstraat. Via deze dwarsverbindingen was het uitbreidingsplan vanaf de ‘hoofdstraat’ toegankelijk. Twee poorten met een brug gaven toegang tot de stad. In de bestrating van de Dorpsstraat is later de plek aangegeven waar de noordelijke en de zuidelijke poort hebben gestaan. De omwalling bood enige bescherming tegen het water, maar ook tegen mogelijke vijanden als de hertog van Gelre of de graaf van Holland.
De bisschop had er als landsheer belang bij omdat Bunschoten, samen met de beide Eemnessen hem toegang tot de Zuiderzee verschafte. De Bunschoters hadden reeds rond 1300 beloofd dat zij de Amersfoorters zouden helpen tegen vijandelijke aanvallen van heren uit de omgeving en de Geldersen. Toen de Bunschoters in 1427 de zijde van de Heer van Holland kozen, werd Bunschoten als wraak platgebrand en vernield door troepen van de bisschop. De bloei van het dorp was daarmee voorbij. De versterkte omwalling hoefde niet te worden hersteld omdat de bisschop vanuit Huis ter Eem tol ging heffen en de stad Amersfoort een economische bloei doormaakte.
Het onderhoud van de in 1409 aangelegde Bunschoter Veen- en Veldendijk konden de Bunschoters niet betalen, waarna Amersfoort en de bisschop zeggenschap over de dijk kregen. De onafhankelijke Bunschoter boeren werden daardoor afhankelijk van de twee grote steden voor bescherming tegen watersnoden van de Zuiderzee. In het rampjaar 1672 werd bijna het hele dorp geëvacueerd in verband met het dreigende gevaar van de oprukkende Fransen. Toen de Utrechtse Staten in de 17e en 18e eeuw herhaaldelijk bepaalden dat andere dan agrarische activiteit verboden werd verdween ook de bescheiden bombazijnindustrie uit het dorp en liep het inwonertal terug. In de 19e eeuw groeide het aantal inwoners. Vooral het noordelijke gelegen Spakenburg groeide, mede door de aanleg van een nieuwe vissershaven. De bevolkingsgroei van Spakenburg was sterker dan die van Bunschoten waardoor de vissersplaats niet langer een soort aanhangsel van Bunschoten was. Vooral in de tweede helft van de 20e eeuw groeiden Bunschoten en Spakenburg allebei snel. …

von Fremdinhalte · Regionauts

Quelle: Text: Wikipedia – „Bunschoten“, Autorinnen und Autoren (Versionsgeschichte), CC BY-SA 4.0 · Foto: Silver Spoon, CC BY-SA 3.0 – Wikimedia Commons