Midden-Delfland: Geschiedenis
Schipluiden is ontstaan uit het grondgebied van zeven heerlijkheden: Dorp, St. Maartensrecht, ‘t Woudt, Groeneveld, Hof van Delft, Hodenpijl en Zouteveen. Deze hadden ieder afzonderlijk een 'gemeenteraad', bestaande uit Schout en Schepenen. Schipluiden vormde al vroeg een kern. In 1561 stonden er ongeveer veertig huizen. Schipluidense familienamen als Van Dijk en Koppert kwamen toen al voor. In 1632 nam het aantal huizen toe tot zeventig. Toen werd ook korenmolen Korpershoek voor het eerst genoemd. Ruim honderdvijftig jaar later, in 1794, is Schipluiden verder gegroeid. De meeste Schipluidenaren leefden van de landbouw. Verder waren er timmerlieden, een molenmaker, metselaars, twee smeden, bakkers en chirurgijns. Ook scheepstransport werd een belangrijk middel van bestaan. Schippers vervoerden in de 19de eeuw grote hoeveelheden tuingrond, mest, aardappelen en veevoeder over de binnenwateren.
Het grondgebied van Maasland is in de loop van de tijd gekrompen, bijvoorbeeld door de afscheiding van Schipluiden in 1570 en Maeslantsluys, nu Maassluis, in 1614. In 1747 telde Maasland ongeveer 1400 inwoners. In het jaar 1888 telde men bijna 2600 inwoners in de gemeente Maasland, die toen een oppervlakte had van 3767 ha. 'De Nederlandsche stad en dorpbeschrijver' van Bakker en Van Ollefen uit de achttiende eeuw vermeldt van Maasland dat het een bezienswaardige plaats is "omtrent twee uren gaans ten westen der stad Delft, vanwaar men behalve langs het water de Gaag over bijzonder goede wegen op het dorp komt. Er is een druk verkeer, zowel van veer- als andere vaartuigen, alsmede van een groot aantal rijtuigen die het dorp passeren van Amsterdam, ’s-Gravenhage en andere plaatsen, naar Hellevoetsluis en elders, wat aan het dorp een goed voordeel verschaft. De aangenaamheid van de ligging wordt nog zeer vermeerderd door de landerijen, die zeer vruchtdragend zijn. De reisgelegenheden zijn in Maasland zeer gemakkelijk met de veerschuit".
Den Hoorn is het grootste dorp van Midden-Delfland. De naam Dijkshoorn komt in 1317 voor in de rekeningen van de graaf van Holland. Den Hoorn oftewel Dijkshoorn was toen een deel van de Hof van Delft, een grafelijk bezit. Dit werd in ongeveer 1100 gesticht. De kern van de Hof van Delft kreeg in 1246 stadsrechten en groeide uit tot de stad Delft. Het omliggende gebied was bekend als het ambacht Hof van Delft. In 1817 werd dit ambacht een gemeente, die in 1921 weer werd opgeheven. Enkele delen, namelijk Den Hoorn, ‘t Woudt en Abtswoude, kwamen toen bij de toenmalige gemeente Schipluiden.
Van het dorpje 't Woudt is bekend dat het in 1277 al bestond. In dat jaar gaf Floris V de parochianen het recht om de eigen pastoor voor te dragen. Dit was een belangrijk voorrecht dat maar zelden werd verleend. 't Woudt telde in 1561 twee boerderijen, negen kleine huisjes, een herberg, een pastorie en een kosterswoning. Dit aantal is in de loop der tijden nauwelijks veranderd.
In de negentiende- en begin twintigste eeuw was gemeenschap De Zweth relatief welvarend. Zo was er sinds 1853 bierbouwerij De Hoop gevestigd en trok de speeltuin Land- en Schiezicht (rond 1900) veel Delftenaren. De tijden na de jaren 1940 werden gekenmerkt door het wegtrekken van de bewoners naar de grote steden, waardoor veel horecavoorzieningen het moeilijk kregen. Toch was het sterrenrestaurant De Zwethheul er jarenlang gevestigd.