Aruba – van Caquetío-eiland tot autonoom land in het Koninkrijk
Rond het jaar 1000 vestigden zich Caquetío-indianen, een Arowakse bevolkingsgroep uit het huidige Venezuela, op Aruba. Zij bleven nauw verbonden met het Zuid-Amerikaanse vasteland en lieten sporen na in grotten en rotstekeningen.
In 1499 bereikten Spaanse ontdekkingsreizigers het eiland. Omdat Aruba droog en weinig vruchtbaar was, zagen de Spanjaarden het als weinig waardevol en voerden zij een groot deel van de inheemse bevolking af om elders te werken. In 1636 nam de West-Indische Compagnie het eiland over, waarna het lange tijd vooral als veeteeltgebied diende. Tijdens de Napoleontische tijd was Aruba enkele jaren in Britse handen. In de negentiende eeuw brachten goudwinning en de teelt van aloë enige bedrijvigheid.
De twintigste eeuw veranderde het eiland ingrijpend: met de komst van een grote olieraffinaderij bij San Nicolas kwamen werk, welvaart en arbeidsmigranten uit vele landen. Na de Tweede Wereldoorlog groeide het streven naar meer zelfstandigheid binnen de Nederlandse Antillen, met Betico Croes als leidende figuur. Op 1 januari 1986 kreeg Aruba de Status Aparte en werd het een apart land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Sindsdien is het toerisme de belangrijkste pijler van de economie geworden.
Vandaag wordt Aruba gekenmerkt door zijn meertaligheid met het Papiaments, zijn gemengde bevolking en zijn rol als populaire vakantiebestemming in het Caribisch gebied.
Heb jij verhalen, foto's of herinneringen over Aruba? Deel ze met de gemeenschap in de rubriek Lokale geschiedenis.