Suriname – van plantagekolonie naar onafhankelijke republiek
Lang voor de komst van Europeanen woonden in het gebied van het huidige Suriname inheemse volken zoals de Arowakken, Karaïben en andere groepen, die leefden van jacht, visvangst en landbouw langs de rivieren en in het binnenland.
In de 17e eeuw vestigden Engelsen zich aan de kust. In 1667 veroverden de Zeeuwen onder Abraham Crijnssen de kolonie, en bij de Vrede van Breda bleef Suriname Nederlands – in ruil voor Nieuw-Amsterdam, het latere New York. Er ontstond een plantage-economie van suiker, koffie, cacao en katoen, gedragen door tot slaaf gemaakte Afrikanen die onder zware omstandigheden werkten. Velen ontvluchtten de plantages en vormden in het binnenland eigen gemeenschappen: de Marrons, die hun vrijheid met verdragen afdwongen. Pas op 1 juli 1863 werd de slavernij afgeschaft, gevolgd door een verplichte overgangsperiode van tien jaar. Daarna werden contractarbeiders geworven uit Brits-Indië, Java en China, wat de bevolking bijzonder divers maakte.
In de 20e eeuw werd de bauxietwinning belangrijk. Suriname kreeg in 1954 autonomie binnen het Koninkrijk der Nederlanden en werd op 25 november 1975 onafhankelijk, waarna velen naar Nederland vertrokken. In 1980 greep het leger de macht; de Decembermoorden van 1982 en de binnenlandse oorlog in de jaren tachtig lieten diepe sporen na. In 1987 keerde Suriname terug naar een burgerlijke regering.
Vandaag wordt Suriname gevormd door zijn veelkleurige bevolking, uitgestrekte regenwouden en de levendige hoofdstad Paramaribo.
Heb je een verhaal, een oude foto of een familieherinnering uit Suriname? Deel het met de gemeenschap in de rubriek Streekgeschiedenis!