Sint Maarten – van zoutwinning en een gedeeld eiland tot land in het Koninkrijk
Het eiland Sint Maarten werd al duizenden jaren voor Christus bewoond, vanaf ongeveer 800 door Arowakken en later door Cariben, die het Soualiga noemden – zouteiland. In 1493 voer Columbus langs en noemde het naar de heilige Martinus van Tours, wiens feestdag op 11 november valt.
Vanwege de rijke zoutpannen raakten vooral Nederland en Frankrijk in het eiland geïnteresseerd. Rond 1630 vestigden zich er Fransen en Nederlanders, die aanvankelijk door de Spanjaarden werden verdreven. Nadat Spanje zijn aanspraken in 1644 had opgegeven, verdeelden Frankrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het eiland in 1648 met het Verdrag van Concordia. Toch wisselde het eiland daarna nog vele malen van eigenaar, voordat de verdeling in 1817 definitief werd. Suikerrietplantages en zoutwinning werden gedragen door tot slaaf gemaakte Afrikanen; in het Nederlandse deel werd de slavernij in 1863 afgeschaft.
In de 20e eeuw hoorde het zuidelijke deel eerst bij het eilandgebied Bovenwindse Eilanden en vanaf 1983 als eigen eilandgebied bij de Nederlandse Antillen. Toerisme verving de zoutwinning als belangrijkste bron van inkomsten. In een referendum in 2000 koos de bevolking voor meer autonomie, en op 10 oktober 2010 werd Sint Maarten een zelfstandig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. In 2017 richtte orkaan Irma grote schade aan.
Vandaag wordt Sint Maarten gevormd door zijn toerisme, zijn internationale bevolking en de bijzondere situatie van een eiland met twee landen.
Heb je een verhaal, een oude foto of een herinnering uit Sint Maarten? Deel het met de gemeenschap in de rubriek Streekgeschiedenis!