Nickerie (district): Geschiedenis
=== Prehistorie ===
Over de Nickeriaanse geschiedenis voor de kolonisatie is weinig bekend. Er zijn vondsten die er op wijzen dat het binnenland al aan het begin van onze jaartelling bevolkt was. Tussen de achtste en zestiende eeuw woonden er ook inheemse Surinamers aan de kust. Zij leefden op een aantal woonterpen tussen Wageningen en Coronie - de bekendste is de Hertenrits - en leefden van landbouw, visvangst, jacht en het verzamelen van weekdieren. Langs de Corantijn zijn een aantal moeilijk te dateren rotstekeningen gevonden.
Tot de achttiende eeuw waren er geen noemenswaardige koloniale nederzettingen in Nickerie. Plantages daar zouden niet beschermd zijn tegen overvallen vanuit de zee en er was genoeg grond in het oosten, waar Fort Nieuw-Amsterdam voor veiligheid zorgde. De eigenlijke Surinamekolonie beperkte zich tot de Suriname- en Commewijnerivier en hun zijtakken. Nog tot de dag van vandaag gebruiken Nickerianen het woord "Suriname" om Paramaribo en de wijde omgeving daarrond aan te duiden.
Wel waren er voor 1800 al een paar kolonisatiepogingen en contacten tussen Europeanen en de inheemse bevolking. Zo vestigden zich in 1613 een aantal Europeanen langs de Corantijn, waar zij tabak verbouwden. Het is niet bekend wat er met hen gebeurd is. Ergens voor 1718 vestigde zich een avonturier namens Dietzel, een mulat afkomstig van Grenada, in Nickerie en verkreeg een zekere invloed bij de plaatselijke inheemse bewoners. Het toenmalige gouvernement benoemde hem hierop tot posthouder, een lage ambtenaar die in een afgelegen streek het gezag van de regering vertegenwoordigde en toezicht hield op de plaatselijke bevolking, de Maratakka. Pogingen van Moravische broeders in 1760 in Ephraim en in 1765 in Hoop om de inheemse Surinamers tot het christendom te bekeren mislukten.
Rond 1800 stabiliseerde de situatie in Europa zich echter enigszins, waardoor het gevaar voor overvallen afnam. Ook begon men in het Oosten van de kolonie steeds meer last te krijgen van overvallen door Marrons. In 1797 begon gouverneur Frederici daarom met de aanleg van de plantages Paradise en Plaisance.
Al snel verloor Frederici echter zijn interesse voor het district. (Hij wilde er zelfs een melaatsenkolonie stichten.) Hij verkocht zijn plantages aan een Schot uit Grenada, een zekere John Stuart. Nadat Suriname 1799 onder Engels bewind kwam, vestigden zich noch meer aantallen Schotten en Engelsen met hun slaven in Nickerie. Typisch Schotse achternamen, zoals MacDonald en Maclntosh, komen nog altijd voor in Nickerie.
De "Nieuwe Kolonie", zoals men Nickerie (en Coronie – de twee districten maakten toen nog deel uit van hetzelfde district, Nickerie. Coronie werd afgesplitst in 1851) toen noemde, bloeide al snel op. De grond was vruchtbaar, de verbinding met de afzetmarkt was beter en de op de plantage verblijvende eigenaren droegen beter zorg voor hun eigendom. In de Oude Kolonie waren plantages veelal bezit van eigenaren in Nederland en werden beheerd door administrateurs, die geen reden hadden om langetermijnverbeteringen uit te voeren. Men verbouwde katoen, koffie en in mindere mate ook suiker en bananen. …