Gent: Geschiedenis
Reeds in de Gallische (of Keltische) tijd waren er meerdere woonkernen in de streek. De naam Gent is niet toevallig afgeleid van het Keltische Ganda, wat monding betekent, in Gent: de Leie en de Schelde. Oudere theorieën, zoals deze van Tourneur, die de naam Gent verklaarde als "samenvloeiing", zijn echter onjuist gebleken. Deze rivieren stroomden en kronkelden in een gebied waar veel gronden periodiek onder water liepen (de meersen) en die dus niet ideaal waren voor landbouw maar beter geschikt voor schapenteelt. Gent zou eeuwenlang de belangrijkste stad van de Nederlanden zijn voor laken (gemaakt van wol), vlas (met in de 19e eeuw de grootste vlasfabriek van West-Europa) en katoen (de eerste geïndustrialiseerde stad van het vasteland).
Gent had vanaf de zevende eeuw twee grote abdijen (Sint-Baafs 625-650 en Sint-Pieters, na 650) die mee de stad hielpen vormen. Deze abdijen moeten rond 800 zo belangrijk geweest zijn dat Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote, Einhard tot abt van beide abdijen benoemt. Einhard was de biograaf van Karel de Grote.
In 851-852 en tussen 879-883 verwoestten de Vikingen beide abdijen en vestigden zich zelfs lange tijd aan de Schelde. Toen de Vikingen uit het Scheldegebied waren weggetrokken en de regio weer veilig was, verschoof de economische activiteit van de Sint-Baafsabdij (Portus Ganda) naar een kern iets westelijker langs de Schelde, Portus Gandavum. Daar ontwikkelde zich (stroomopwarts van de huidige Scaldissluis) een eerste middeleeuwse handelsnederzetting. Die oudste middeleeuwse stad was in Gent een gebied van 6 hectare binnen een omwalling die (westelijk van de Reep) op de Schelde aansloot (langs de Borreputsteeg, Kalandeberg, Mageleinstraat, Regnessestraat (verdwenen - op het huidige Sint-Baafsplein) en Nederpolder). Er vormde zich met de tijd aan de Schelde een haventje, rond de Sint-Janskerk (later Sint-Baafskathedraal). In deze periode, aan het einde van de negende eeuw werd er tevens een castrum opgericht door Boudewijn II de Kale op de plaats van het huidige Gravensteen. Deze twee kernen groeiden geleidelijk naar elkaar toe in de loop van de 10de eeuw, langs de as Hoogpoort. Het economische centrum verschoof naar de Leie-oevers (Graslei/Korenlei en de Groentenmarkt), dichter bij het Gravensteen.
Vanaf het jaar 1000 was Gent gedurende enkele eeuwen de grootste stad van de Lage Landen (tot rond 1550). Gent was groter dan Keulen, de grootste stad van het Heilige Roomse Rijk in de middeleeuwen, en, na Parijs en Londen, de grootste stad van Noordwest-Europa. Keizer Karel zei van Gent “Je mettrais Paris dans mon Gant/-d” (“Ik zou Parijs in mijn handschoen/Gent steken”). In de 12de en 13de eeuw was het historisch centrum omsloten door een eerste verdedigingsgordel van natuurlijke en gegraven waterlopen, namelijk de Schelde, de Ottogracht, de Leie, de Houtlei en de Ketelvest. Het geheel werd door stadspoorten versterkt. In de 13e eeuw telde de stad zo'n vijftig- tot zestigduizend inwoners.
Midden op de Vrijdagmarkt staat een standbeeld van Jacob van Artevelde, de wijze man van Gent, die op het plein op 26 januari 1340 koning Eduard III van Engeland ontving. Vijf jaar later vermoordden wevers en volders elkaar op dit plein als voorspel voor de moord op deze Jacob van Artevelde. Zijn zoon, Filips van Artevelde, die de Gentenaars aanvoerde tegen het Franse leger onder leiding van Lodewijk II van Male en Karel VI van Frankrijk, sneuvelde in 1382 in de Slag bij Westrozebeke. …