Den Haag: Geschiedenis
In het Haagse gebied woonden al mensen, lang voordat er sprake was van een dorp met de naam Den Haag. De oudste archeologische vondsten, gedaan in de omgeving van het Binnenhof, dateren uit circa 3000 v.Chr.; zo werd er in 1912 bij de bouw van Hotel Central aan de Lange Poten (nu onderdeel van het Tweede-Kamercomplex), een gave vuurstenen vuistbijl gevonden, waarvan de gebruikers ingedeeld kunnen worden bij de Vlaardingencultuur.
In de 2e eeuw na Chr. lag er in de duinen aan de zuidrand van de stad een Romeins fort met bijbehorende nederzetting, de zogenaamde Vicus van Ockenburgh. Hier zijn vanaf de jaren 20 van de 20e eeuw opgravingen verricht.
Rond 1230 liet graaf Floris IV van Holland op de plek van het Binnenhof een bescheiden kasteel bouwen, dat de zetel werd van de graven van Holland. Mogelijk was dit de plaats van de voormalige hofstede van vrouwe Meilindis van Wassenaer. De plaatsnaam 's-Gravenhage en de naam van de Gravenstraat voor de verbinding tussen het Kerkplein en het huidige Buitenhof verwijzen nog daarnaar.
In 1248 liet graaf Willem II, tevens Rooms koning geworden, een meer passend kasteel bouwen aan een duinmeer, de huidige Hofvijver. Zijn zoon Floris V zorgde er na Willems vroegtijdige dood voor dat de Ridderzaal voltooid werd. De Ridderzaal en het Binnenhof werden versterkt, maar het dorp eromheen kreeg eeuwenlang slechts deels stadsrechten, al bleef Den Haag residentie van de graven van Holland en hun opvolgers. Den Haag kon groeien als compromis tussen de Hollandse steden, maar diezelfde steden zorgden ervoor dat Den Haag geen vestingstad werd.
In 1528 werd Den Haag overvallen door de Gelderse veldheer Maarten van Rossum, die de nederzetting buiten het grafelijk kasteel brandschatte, waardoor de brandstichting werd afgekocht. Ook tijdens de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog werd Den Haag genadeloos geplunderd en raakte het nagenoeg ontvolkt. De stad was het Spaanse hoofdkwartier tijdens het Beleg van Leiden.Al zeker sinds circa het begin van de 15e eeuw telde Den Haag enkele duizenden inwoners, waardoor het in feite eerder een stad dan een dorp was. Een stad placht in die tijd echter een zeer verregaande mate van zelfbestuur te hebben en de graven van Holland (en later hun opvolgers: de hertogen van Bourgondië en de Habsburgers) kozen ervoor om het in hun eigen residentie zelf voor het zeggen te hebben. Vanaf 1585 zette de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden deze praktijk voort, omdat Den Haag de plaats was waar het hoogste regeringsorgaan, de Staten-Generaal, resideerde. Ook was het stadhouderlijk hof daar gevestigd. Aanvankelijk had het er in de jaren 1580 nog om gespannen of het verwoeste Den Haag weer zou worden opgebouwd: de machtige stad Delft wilde in haar directe omgeving de opkomst van een gevaarlijke rivaal liever verhinderen, mede omdat deze stad wenste dat de Staten-Generaal zich blijvend in Delft zou vestigen. Er werd toch tot wederopbouw besloten, en de Staten-Generaal vestigden zich, na onder andere Middelburg, in 1585 definitief in Den Haag.
In 1622 telde Den Haag 16.000 inwoners. In de 17de eeuw werd Den Haag omgeven door grachten, die door stadhouder prins Maurits als aanzet tot volledige vestingwerken waren aangelegd, maar van de geplande echte verdedigingswerken kwam verder niets. Aan het eind van de 18e eeuw was het bevolkingsaantal opgeklommen tot ongeveer 40.000, waarmee dit "dorp" de op twee na grootste nederzetting van Nederland was geworden (na Amsterdam en Rotterdam). …